‘De ene noemt het Haagpoort hier, de ander Tuinzigt’, aldus Lia Melgert die al bijna 55 jaar in de Van Meterenstraat in Breda woont. Ze is er opgegroeid en woont er nog steeds met heel veel plezier, samen met haar hondje. Eenmaal in gesprek met Lia ben je zo een jaar of 50 terug in de tijd: ze somt de ene na de andere anekdote op en weet feilloos te vertellen waar vroeger welke buurtwinkel zat. ‘Vroeger was het winkelaanbod veel gevarieerder: op iedere straathoek zat wel een winkeltje. Alleen kantoorboekhandel Benoist is nog overgebleven.’ Lia neemt ons mee terug in de tijd.

Lia woont vanaf haar derde in de wijk. Samen met haar ouders en haar zus - die anderhalf jaar ouder is - komen ze op 20 april 1962 vanuit de Ginnekenstraat in de wijk wonen. Lia: ‘We verhuisden op mijn verjaardag. Dan kon niet anders, vertelde mijn moeder.’ Ze heeft er een heel fijne jeugd. De wijk werd destijds vooral bevolkt door fabrieksarbeiders en zelfstandigen maar er woonden ook politieagenten en advocaten. De vader van Lia heeft zijn hele leven als fabrieksarbeider gewerkt, voornamelijk bij typisch Bredase bedrijven als de Nibb-it, de Hero en de Enka: altijd in ploegendienst.   

Kindervereniging “Vrij en Blij”

‘Opgroeien in de wijk was echt feest’, vertelt Lia. ‘Het was een heel sociale buurt. Er woonden voornamelijk jonge gezinnen en alle kinderen speelden met elkaar: knikkeren, hoepelen, elastieken… Er waren nog gescheiden scholen voor jongens en meisjes: wij gingen naar de Sint Annaschool, bij de nonnen. Ik kan me nog goed herinneren dat er ontzettend veel voor de jeugd werd georganiseerd. Bijna alle kinderen waren lid van kindervereniging “Vrij en Blij” die werd geleid door het echtpaar Gabriels uit de Rietmakerstraat. Vaak gingen we op woensdagmiddag oud papier ophalen. Het geld dat we daarmee verdienden werd besteed aan de kindervereniging. Daar werden spelletjes van gedaan, met Koninginnedag versierden we de fietsen en we gingen één keer per jaar met de bus weg.’

 

‘Ik heb nooit meer gerookt’

‘Het contact tussen de families en de kinderen onderling was heel goed. Natuurlijk haalden we ook kattenkwaad uit. Belletje trekken, brandweertje spelen, dat soort dingen. We moesten altijd naar binnen als de lantaarns aangingen, maar dat gebeurde niet altijd. En we moesten in de buurt blijven, maar dat deden we ook niet’, lacht Lia. ‘Wij gingen bijvoorbeeld weleens stiekem sigaretjes roken. Dan fietsten we richting Prinsenbeek want daar had je een viaduct met zo’n schuine wal. En daar gingen we ze dan oproken. We kochten met een groep een pakje sigaretten. Mijn moeder had dat schijnbaar toch een keer gemerkt. Toen ik twaalf werd, mocht ik een fuif geven. Mijn moeder zei: “Hier heb je een pakje sigaretten, dat mag je helemaal oproken.” Ik dacht wat gaan we nou krijgen, want mijn moeder is er altijd heel fel op tegen geweest. Ik heb dat hele pakje opgerookt en werd zo ziek als een hond natuurlijk. Ik heb nooit meer gerookt.’ 

De sociale functie van de buurtwinkel

Oud-Tuinzigt is in de jaren ’60 en ’70 een vrolijke mêlee van woningen en winkeltjes. Een dorpje op zich, pal tegen het Bredase stadscentrum aan. In de buurtwinkels komen mensen niet alleen om hun boodschappen te doen, het zijn bij uitstek plaatsen waar je het laatste nieuws en roddels over de buurt te weten kwam. Lia: ’Al die winkeltjes waren hartstikke gezellig, want dan hoorde je nog eens wat over die of die.’ Lia somt de winkeltjes stuk voor stuk op. ‘Bakkerij Ouwerling zat op de hoek van de Haagweg en de Rietmakerstraat, op de hoek van de Rietmakerstraat en het Frans Heijlaertsplein zat Sint Anneke, die verkocht band en garen, op de hoek van de Van Dijklaan en de Hegelsomstraat zat de friettent van Arntz; die hebben ze dood in zijn auto gevonden toen hij een bestelling aan het wegbrengen was. Daar zat de kapper, op die hoek de groenteboer, en daar had je het snoepwinkeltje van de familie Verheijen.’ 

Al die winkeltjes waren hartstikke gezellig, want dan hoorde je nog eens wat over die of die
Kantoorboekhandel Benoist is de enige winkel van vroeger die er nog steeds is
Lia woont al 55 jaar in Oud-Tuinzigt

Stiekem open op zondag

‘Bij de Verheijens moest je in de poort op het raampje tikken en dan kon je in het schuurtje een ijsje kopen’, gaat Lia nostalgisch verder. ‘Bij het kruidenierswinkeltje van Rietje Bos  gingen we ’s zondags ook wel eens sigaretten of kruidenierswaren halen want dan waren alle winkels dicht: zij deed dat dan stiekem. Dan hadden we wel eens te weinig geld bij, maar ze kende ons van kleins af aan. “Kom dat van de week maar even brengen.” Als wij dan zeiden dat we het direct zouden doen, dan wilde ze daar niets van weten. “Ik ken jullie wel en jullie lopen er niet mee weg.” Zo ging dat vroeger, heel gemoedelijk. Je kunt nog steeds zien waar alle winkeltjes hebben gezeten op de hoeken. Die hebben allemaal grote ramen.’ 

De Rolls Royce van Vader Abraham

Bij dierenspeciaalzaak Fauna haalde Lia de voeding voor haar kanaries. ‘Die zaak was van de familie Nijkamp. Die hebben later ook nog een muziekwinkeltje hier in de buurt gehad maar dat heeft niet heel lang bestaan. Ik ging er wel eens een singletje kopen. Die Nijkamp was één van de zeven zonen uit de band van Vader Abraham: die kwam ook regelmatig met de Rolls Royce van Vader Abraham door de straat gereden. Dat vonden wij geweldig natuurlijk. En ik weet ook nog heel goed dat waar nu CD-ROM-LAND zit, vroeger de winkel van Harmsen was. Die verkochten vloerkleden en zo. Die wilde zijn zaak uitbreiden maar dat mocht niet van de gemeente. Toen heeft hij zijn zaak in de fik gezet, daar heeft hij ook nog voor vastgezeten.’ 

Alleen Benoist is er nog

Het zeer gevarieerde kleinschalige winkelaanbod van toen heeft plaatsgemaakt voor grotere anonieme supermarkten. Tot grote spijt van Lia. Het melkwinkeltje, de groente- en fruitwinkel van Roelands, de SPAR op de hoek, de Super, de Fauna: ze zijn er allemaal niet meer. Lia: ‘Kantoorboekhandel Benoist is de enige winkel van vroeger die er nog steeds is. Die zitten er al vanaf 1933; het is nu al de derde generatie. Ik ken de huidige eigenaar heel goed, want ik heb vroeger nog met hem gespeeld. Vanzelfsprekend ga ik daar naar toe als ik iets van kantoorspullen nodig heb. Wij zeggen hier nog altijd Benowar, dat zeiden we toen al, en dat zeggen we nu nog steeds. Waarom precies, dat weet ik niet, dat is gewoon de volksmond van oud-Tuinzigt geworden.’  

Tekst: Etienne van Breugel E10 communicatie

Fotografie: Tim Eshuis